troep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- troep
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | troep | troepen |
| verkleinwoord | troepje | troepjes |
Zelfstandig naamwoord
troep m
- rommel, rotzooi
- Wat een troep is het hier!
- groep
- militairen, manschappen
- Hij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.
- De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.
- dieren
- Een troep verwilderde honden zwierf rond op straat.
- In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.
- Grote troepen eenden en ganzen trokken over.
- Mensen vormen nog steeds een troep, net als apen.[1]
- mensen
- Een troep gillende kinderen rende voorbij.
- militairen, manschappen
Verwijzingen
- ↑ Bioloog Patrick van Veen in BN DeStem, 1 oktober 2008