troep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • troep
enkelvoud meervoud
naamwoord troep troepen
verkleinwoord troepje troepjes

Zelfstandig naamwoord

troep m

  1. rommel, rotzooi
    Wat een troep is het hier!
  2. groep
    1. militairen, manschappen
      Hij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.
      De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.
    2. dieren
      Een troep verwilderde honden zwierf rond op straat.
      In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.
      Grote troepen eenden en ganzen trokken over.
      Mensen vormen nog steeds een troep, net als apen.[1]
    3. mensen
      Een troep gillende kinderen rende voorbij.
Verwijzingen
  1. Bioloog Patrick van Veen in BN DeStem, 1 oktober 2008