bende
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ben·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bende | bendes, benden |
| verkleinwoord | bendetje | bendetjes |
Zelfstandig naamwoord
- een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
- De bende van Nijvel was berucht voor haar geweld.
- een rommelige toestand
- Oei, wat een riekende bende is het hier!
Uitdrukkingen en gezegden
- [1] Een bende oprollen.