liggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lig·gen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| liggen /'lɪɣə(n)/ |
lag /lɑx/ |
gelegen /ɣə'leɣə(n)/ |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
liggen
- (inergatief) zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
- Hij heeft een tijdje op bed gelegen.
- (ergatief) op een bepaalde plaats bevinden
- Dat is mooi gelegen daar.
- (hulpwerkwoord) ~ te: duratief hulpwerkwoord: iets doen terwijl men ligt
- Hij lag vredig te dromen toen de bliksem insloeg.
- Hij heeft daar nog lang over liggen nadenken.
Verwante begrippen
- [2] (van mensen) wonen
Uitdrukkingen en gezegden
[1] Voor de hand liggen.
- Vanzelfsprekend zijn.
[1] Dubbel liggen.
Opmerkingen
- [3] In samengestelde tijden vervalt te.
Vertalingen
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
2. op een bepaalde plaats bevinden