kans

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kans
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het (vulgaire) Latijnse woord cadens. Het Franse chance (en ook in Duits en Engels) vertoont de palatellisatie van c -> ch. Het Nederlands heeft het woord waarschijnlijk zeer vroeg ontleend, vandaar de k.
enkelvoud meervoud
naamwoord kans kansen
verkleinwoord kansje kansjes

Zelfstandig naamwoord

kans v/m

  1. de mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    De kans daarop is werkelijk 0,0 procent!
  2. een mooie gelegenheid
    Dit is je kans!
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • kans hebben op
  • kans maken
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kans mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kan
Verwante begrippen

Meer informatie