mazzel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maz·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mazzel mazzels
verkleinwoord mazzeltje mazzeltjes

Zelfstandig naamwoord

mazzel m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) geluk, goed geluk
    Ik had vanmorgen een mazzeltje want ik was net langzamer gaan rijden toen ik zag dat ze stonden te controleren.
Verwante begrippen
Verwijzingen
Vertalingen