bof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bof
enkelvoud meervoud
naamwoord bof
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bof

  1. geluk, mazzel
    "Wat een bof jou hier nog te treffen.
  2. ziekte.
    Zij hebben allebei de bof gehad.
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boffen

bof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
    Ik bof.
  2. gebiedende wijs van boffen
    Bof!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
    Bof je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen