bof
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bof
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bof | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bof
- geluk, mazzel
- "Wat een bof jou hier nog te treffen.
- (medisch) ziekte
- Zij hebben allebei de bof gehad.
Verwante begrippen
Vertalingen
2. ziekte
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| boffen |
bof
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
- Ik bof.
- gebiedende wijs van boffen
- Bof!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
- Bof je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.