jongleur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Middeleeuwse jongleurs
De moderne jongleur

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jong·leur
Woordherkomst en -opbouw

Uit het Frans "jongleur" (minstreel) van het Latijnse "joculator" (grappenmaker)

enkelvoud meervoud
naamwoord jongleur jongleurs
verkleinwoord jongleurtje jongleurtjes

Zelfstandig naamwoord

jongleur m

  1. (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (verouderd) een in het Zuid-Frankrijk van weleer, langs kastelen en vorstenhoven rondreizend kunstenaar, acrobaat, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
    De jongleurs brachten de hovelingen verpozing.
  2. (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, goochelaar, acrobaat, muzikant, zanger van liedjes en komediant
    Met z'n grappen, grollen en vrolijke wijsjes bracht de jongleur het publiek in een uitgelaten stemming.
  3. (cultuur) de artiest die zoveel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er één op de grond terecht komt
    Wat die jongleur doet moet je jong leren, anders lukt het je nooit.
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen