jongleur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- jon·gleur, jong·leur
Woordherkomst en -opbouw
- Uit het Frans "jongleur" (minstreel) van het Latijnse "joculator" (grappenmaker)
- Naamwoord van handeling van jongleren met het achtervoegsel -eur [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | jongleur | jongleurs |
| verkleinwoord | jongleurtje | jongleurtjes |
Zelfstandig naamwoord
jongleur m
- (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (verouderd) een in het Zuid-Frankrijk van weleer, langs kastelen en vorstenhoven rondreizend kunstenaar, acrobaat, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
- De jongleurs brachten de hovelingen verpozing.
- (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, goochelaar, acrobaat, muzikant, zanger van liedjes en komediant
- Met z'n grappen, grollen en vrolijke wijsjes bracht de jongleur het publiek in een uitgelaten stemming.
- (cultuur) (beroep) de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er één op de grond terecht komt (die jongleert)
- Wat die jongleur doet moet je jong leren, anders lukt het je nooit.
Synoniemen
- [1] bard, fili, minstreel, rapsode, skald, speelman, troubadour, trouvère
- [2] straatmuzikant
Hyperoniemen
- [1] kunstenaar
- [2] beroep
Verwante begrippen
- mannelijke vorm van jongleuse
- [1] ballade, dichtkunst, hofcultuur, hoofsheid, muziek, verhaal, vertelling, voordracht
- [2] acrobaat, amusement, clown, goochelaar, nar, draaiorgelman, vermaak, vertier
Vertalingen
1. rondreizend kunstenaar
3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.