jongleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- jon·gle·ren, jong·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| jongleren |
jongleerde |
gejongleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
jongleren
- (inergatief) ter vermaak meerdere voorwerpen beurtelings gooiend in de lucht houden
- Er werd gegoocheld en gejongleerd en de kinderen vermaakten zich uitstekend.