jongleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jon·gle·ren, jong·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jongleren
jongleerde
gejongleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

jongleren

  1. (inergatief) ter vermaak meerdere voorwerpen beurtelings gooiend in de lucht houden
    Er werd gegoocheld en gejongleerd en de kinderen vermaakten zich uitstekend.