troubadour

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De troubadour (2003)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trou·ba·dour
Woordherkomst en -opbouw

Via het Franse "troubadour" van het Oud-Provençaalse trobador "vinder/dichter"

enkelvoud meervoud
naamwoord troubadour troubadours
verkleinwoord troubadourtje troubadourtjes

Zelfstandig naamwoord

troubadour m

  1. (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (dichtkunst), (verouderd) een langs kastelen en vorstenhoven in het Zuid-Frankrijk van weleer, rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
    Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de troubadour in haar hoofd naklinken.
  2. (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediant
    Met z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de troubadour het publiek in een uitgelaten stemming.
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie