troubadour
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trou·ba·dour
Woordherkomst en -opbouw
Via het Franse "troubadour" van het Oud-Provençaalse trobador "vinder/dichter"
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | troubadour | troubadours |
| verkleinwoord | troubadourtje | troubadourtjes |
Zelfstandig naamwoord
troubadour m
- (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (dichtkunst), (verouderd) een langs kastelen en vorstenhoven in het Zuid-Frankrijk van weleer, rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
- Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de troubadour in haar hoofd naklinken.
- (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediant
- Met z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de troubadour het publiek in een uitgelaten stemming.
Synoniemen
Hyperoniemen
- [1] kunstenaar
- [2] beroep
Verwante begrippen
- [1] ballade, dichtkunst, hofcultuur, hoofsheid, muziek, verhaal, vertelling, voordracht
- [2] amusement, clown, goochelaar, jongleur, nar, draaiorgelman, vermaak, vertier
Vertalingen
1. rondreizend kunstenaar
2. rondreizend artiest
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.