dekken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dek·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dekken |
dekte |
gedekt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
dekken
- (overgankelijk) voorzien van een dak
- Dat huis is met riet gedekt.
- (overgankelijk) de tafel ~ alles op tafel leggen en zetten voor het houden van een maaltijd
- Zij dekte de tafel voor het kerstmaal.
- (overgankelijk) een verzekering voor een eventualiteit afgesloten hebben
- Het geleden verlies bleek maar gedeeltelijk gedekt.
- (overgankelijk) ondersteuning voor iets verlenen
- De regering dekte zijn eigenzinnige optreden niet langer.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
dekken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dek