verbond
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·bond
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | verbond | verbonden |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
verbond o
- een verdrag tussen staten, zakenpartners of individuen, omwille van een gemeenschappelijk voordeel
Synoniemen
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| verbinden |
verbond
- enkelvoud verleden tijd van verbinden
- Ik verbond.
- Jij verbond.
- Hij, zij, het verbond.
- Ik verbond.