blow

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blow

Werkwoord

vervoeging van
blowen

blow

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blowen
    Ik blow.
  2. gebiedende wijs van blowen
    Blow!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blowen
    Blow je?


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
blow blows

Zelfstandig naamwoord

blow

  1. slag, klap


vervoeging
onbepaalde wijs to blow
he/she/it blows
verleden tijd blew
voltooid
deelwoord
blown
onvoltooid
deelwoord
blowing
gebiedende wijs blow

Werkwoord

blow

  1. blazen
  2. ontploffen
  3. pijpen