blazen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bla·zen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| blazen |
blies |
geblazen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
blazen
- (inergatief) een luchtstroom veroorzaken
- Blaas even, dan koelt het wel af.
- In het zakje blazen.
- (overgankelijk) met een luchtstroom iets vervaardigen
- Dit glas wordt geblazen, niet gewalst.
- Bellen blazen.
- (overgankelijk) een blaasinstrument bespelen
- Hij blies een vrolijk deuntje.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een luchtstroom veroorzaken
Zelfstandig naamwoord
blazen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord blaas