bloeien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bloei·en
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bloeien |
bloeide |
gebloeid |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bloeien
- (inergatief) het dragen van open, actieve bloeiwijzen
- Als alle bloembollen bloeien, komen daar veel toeristen op af.
- (inergatief) overdrachtelijk het bijzonder goed maken
- Onder deze koning bloeide de handel en de nijverheid en heerste er welvaart en tevredenheid.
Vertalingen
1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen