bloeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloei·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bloeien
bloeide
gebloeid
zwak -d volledig

Werkwoord

bloeien

  1. (inergatief) het dragen van open, actieve bloeiwijzen
    Als alle bloembollen bloeien, komen daar veel toeristen op af.
  2. (inergatief) overdrachtelijk het bijzonder goed maken
    Onder deze koning bloeide de handel en de nijverheid en heerste er welvaart en tevredenheid.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen