ontploffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·plof·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontploffen
ontplofte
ontploft
zwak -t volledig

Werkwoord

ontploffen

  1. (ergatief) plotseling sterk uitdijen
    Die bom ontplofte te laat om de gehate dictator te doden.