pijpen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pij·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pijpen |
pijpte |
gepijpt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
pijpen
- (overgankelijk) (muziek) een melodie spelen op de speelpijp van, met name, een rietinstrument zoals de doedelzak
- Hij pakte zijn zakpijp en pijpte een vrolijk deuntje.
- orale seks bedrijven
- (Limburg) roken.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Zelfstandig naamwoord
pijpen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pijp