pijpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pij·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pijpen
pijpte
gepijpt
zwak -t volledig

Werkwoord

pijpen

  1. (overgankelijk) (muziek) een melodie spelen op de speelpijp van, met name, een rietinstrument zoals de doedelzak
    Hij pakte zijn zakpijp en pijpte een vrolijk deuntje.
  2. orale seks bedrijven
  3. (Limburg) roken.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Zelfstandig naamwoord

pijpen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pijp
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen