bloei
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /bluj/
- (Limburg): /bluɪ̯/
Woordafbreking
- bloei
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bloei | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
bloei m
- (plantkunde) het bloeien van boom of plant
- In augustus hebben de paardenbloemen een tweede bloei.
- (figuurlijk) een toestand waarin iemand of iets op zijn best is
- In de middeleeuwen kwam de stad tot bloei.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
In de bloei van zijn leven.
- Als iemand op zijn best is.
Vertalingen
1. het bloeien van boom of plant
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bloeien |
bloei
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeien
- Ik bloei.
- gebiedende wijs van bloeien
- Bloei!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeien
- Bloei je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| bloei |
gebloei |
| volledig | |
Werkwoord
bloei