zonnevis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

zonnevis
Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·ne·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonnevis zonnevissen
verkleinwoord zonnevisje zonnevisjes

Zelfstandig naamwoord

zonnevis m [1]

  1. (vissen) Zeus faber op Wikispecies eetbare vis
    • Wat je er moet eten: de zonnevis, de garnalen van Garrucha en de lipvis, die alleen met een hengel mag worden gevangen [2] 
    • Terwijl tafelgenote geniet van de cannelloni van zonnevis met noordzeekrab, krijg ik dus de ganzenlevervariaties: terrine van ganzenlever met stoofpeer en gedroogde pruimen, gemarineerde ganzenlever met passievrucht en basilicum en de gebakken ganzenlever met bloedworst, appel en een saus van calvados. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen