zonaanbidder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·aan·bid·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonaanbidder zonaanbidders
verkleinwoord zonaanbiddertje zonaanbiddertjes

Zelfstandig naamwoord

zonaanbidder m

  1. iemand die graag zont
    • Het strand wordt bezocht door dagjesmensen, toeristen en zonaanbidders. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie