zonaanbidder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·aan·bid·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonaanbidder zonaanbidders
verkleinwoord zonaanbiddertje zonaanbiddertjes

Zelfstandig naamwoord

zonaanbidder m

  1. iemand die graag zont
    • Het strand wordt bezocht door dagjesmensen, toeristen en zonaanbidders. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be