zoeten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoe·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zoeten
zoette
gezoet
zwak -t volledig

Werkwoord

zoeten

  1. overgankelijk zoet maken
    • Zoet jij je thee met suiker of honing? 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be