zouten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zou·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zouten
zoutte
gezouten
gemengd volledig

Werkwoord

zouten

  1. (overgankelijk) met zout conserveren
    Haring moet licht gezouten worden om een parasiet te doden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zouten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zout
    De zouten van natrium en kalium zijn meestal goed oplosbaar.