wetenschapper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ten·schap·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wetenschapsbeoefenaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976 [1]
  • Afgeleid van wetenschap met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord wetenschapper wetenschappers
verkleinwoord wetenschappertje wetenschappertjes

Zelfstandig naamwoord

wetenschapper m

  1. (beroep), (wetenschap) iemand die de wetenschap beoefent
    • Er is in dat gebouw een conferentie van wetenschappers. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen