wankelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
wankelen wankelend
wankeling gewankeld
- wankelbaar


Woordafbreking
  • wan·ke·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wankelen
wankelde
gewankeld
zwak -d volledig

Werkwoord

wankelen

  1. inergatief onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
    De plotselinge windvlaag deed hem wankelen.
  2. ergatief op onvaste wijze zich ergens heen begeven
    Hij is stomdronken naar huis gewankeld.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.