wankelend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wan·ke·lend

Werkwoord

vervoeging van: wankelen
verbogen vorm: wankelende

wankelend

  1. onvoltooid deelwoord van wankelen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wankelend wankelender wankelendst
verbogen wankelende wankelendere wankelendste
partitief wankelends wankelenders -

Bijvoeglijk naamwoord

wankelend

  1. bijna vallend
    • En de overige mannen? Die staan erbij en kijken ernaar. Niemand grijpt in. Het klinkt alleen hoofdschuddend: ,,Niels jongen, wat doe je?’ Of hij daadwerkelijk met een inmiddels van de drank wankelende Parastoo in bed belandt voor het minnespel, blijft onduidelijk. De enige zekerheid is dat Rosanna niet blij gaat worden bij het volgende kampvuur. [1] 
    • Een crisis in verkiezingstijd is een godsgeschenk voor de zittende macht. Je hoeft geen groot cynicus te zijn om dat te bedenken. Zoals een gemeenschappelijke vijand een verdeeld land kan herenigen, zo kan een goed getimede crisis een wankelende leider op het schild houden. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen