waarneembaar
Uiterlijk
- waar·neem·baar
- Naamwoord van handeling van waarnemen met het achtervoegsel -baar.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | waarneembaar | waarneembaarder | waarneembaarst |
| verbogen | waarneembare | waarneembaardere | waarneembaarste |
| partitief | waarneembaars | waarneembaarders | - |
waarneembaar
- het waargenomen kunnen worden met de zintuigen
- Er zijn vier kernsymptomen van narcisme, waarvan er drie meteen waarneembaar zijn. Namelijk ten eerste de neiging zichzelf op te blazen en machtig voor te doen; ten tweede een gebrek aan wederkerigheid, dus geen ruimte laten voor anderen; en ten derde de neiging mensen die kritiek leveren van zich af te stoten en te vernederen. Ik zie ze alledrie bij Trump.[1]
- Het woord waarneembaar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.