Naar inhoud springen

vurigheid

Uit WikiWoordenboek
  • vu·rig·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord vurigheid vurigheden
verkleinwoord

devurigheidv

  1. heftigheid van gemoedstoestanden, hartstochten en driften
    • Met grote vurigheid verdedigde de politicus de standpunten van zijn partij. 
    • De jongeman verklaarde met grote vurigheid zijn liefde aan het meisje van zijn dromen. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]