Naar inhoud springen

tirer

Uit WikiWoordenboek
  • voor het eerst geattesteerd rond 1100 van onzekere afkomst. Het heeft in het Middelfrans het onregelmatige werkwoord traire in de meeste gevallen vervangen [1]
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tirer
tirais
tiré
eerste groep volledig

tirer

  1. trekken
  2. schieten [1]; een projectiel afvuren met een wapen
  3. (sport) schieten [2]
  4. (spreektaal)  jatten ww ,  pikken ww 
    «Putain, j’me suis fait tirer mon scooteur!»
    Ze hebben verdomme mijn scooter gepikt! [2]
  5. (spreektaal), (seksualiteit) neuken, naaien [2] [2]
  6. (spreektaal) doen, uitvoeren
    «Il me reste plus qu’une heure à tirer, ensuite, j’me casse.»
    Ik heb nog maar een uur te gaan en dan ga ik er vandoor. [2]
  7. (spreektaal) ontvangen, beuren
    «On pourrait tirer combien?»
    Hoeveel kunnen we ervoor krijgen? [2]
  8. (spreektaal) een vechtsport beoefenen [2]
  9. (spreektaal) (seksualiteit), trekken [6], masturberen

se tirer

  1. wederkerend (spreektaal) afnokken, aftaaien, ervandoor gaan, 'm  peren ww  [1], 'm  smeren ww  [5]
    «Allez, on se tire!»
    Kom, we gaan ervandoor! [2]