vogelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vo·ge·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vogelen
vogelde
gevogeld
zwak -d volledig

Werkwoord

vogelen

  1. het voor hobby bekijken en determineren van vogels
  2. (inf.) geslachtsgemeenschap hebben
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als meervoudsvorm.

Zelfstandig naamwoord

vogelen mv

  1. (verouderd) vogels, archaïsch meervoud van vogel
    • En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op. [1]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bijbel, Statenvertaling, Marcus 4:4; geraadpleegde 2017-01-18