vloeken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vloe·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vloeken
vloekte
gevloekt
zwak -t volledig

Werkwoord

vloeken

  1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
    • Hij vloekte binnensmonds. 
    • Als hij even later in een file vast komt te staan, vloekt en tiert hij op het verkeer. 
  2. niet bij elkaar passen
    • Het rood vloekt een beetje bij het oranje. 
    • Rechte lijnen vloeken met de natuur. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

vloeken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vloek

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl