Naar inhoud springen

vloek

Uit WikiWoordenboek
  • vloek
enkelvoud meervoud
naamwoord vloek vloeken
verkleinwoord vloekje vloekjes

devloekm

  1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
     Dus wat gaan ze doen? Wat kunnen ze doen? En welk nut hebben woorden? Ze zijn mensen met een goddelijke blik, en dat is zegen en vloek tegelijk.[2]
     Zij woonde in de bossen met haar moeder en die moeder was een heks en daardoor is er een vloek op Pendorric gekomen die nu nog werkt.[3]
    • Er lijkt een vloek te rusten op dat verlaten huis. 
    • Dit team rekent af met de vloek die jarenlang over Oranje's penalty's hing. 
  2. godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is
    • In de andere kamer hoorde hij een hoop gehijg, gestommel en af een toe een vloek. 
    • Ik slaakte een knetterende vloek. 
  • in een vloek en een zucht
in een korte tijd, in de tijd die nodig is om een vloek en een zucht te slaken.
vervoeging van
vloeken

vloek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vloeken
    • Ik vloek. 
  2. gebiedende wijs van vloeken
    • Vloek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vloeken
    • Vloek je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. vloek op website: Etymologiebank.nl
  2. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  3. Victoria Holt
    “De bruid van Pendorric” (1973), SAGA Egmont, ISBN 9788726955583
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be