vloek
Uiterlijk
- vloek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vloek | vloeken |
| verkleinwoord | vloekje | vloekjes |
de vloek m
- bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
- Er lijkt een vloek te rusten op dat verlaten huis.
- Dit team rekent af met de vloek die jarenlang over Oranje's penalty's hing.
- godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is
- In de andere kamer hoorde hij een hoop gehijg, gestommel en af een toe een vloek.
- Ik slaakte een knetterende vloek.
- [2] krachtterm
- in een vloek en een zucht
in een korte tijd, in de tijd die nodig is om een vloek en een zucht te slaken.
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
| vervoeging van |
|---|
| vloeken |
vloek
- Het woord vloek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "vloek" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ vloek op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %