vijandelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vij·an·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van vijand met het achtervoegsel -lijk en met het invoegsel -e-.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vijandelijk vijandelijker vijandelijkst
verbogen vijandelijke vijandelijkere vijandelijkste
partitief vijandelijks vijandelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

vijandelijk

  1. van de vijand
    • Het vijandelijk gebied. 
    • En daar staan we weer voor de strijd uitgerust, dacht Albert, klaar om het schavot te beklimmen (zo werd de ladder genoemd die ze gewoonlijk gebruikten om de loopgraaf uit te komen, over perspectief gesproken) en dan met het hoofd vooruit op de vijandelijke linies af te stormen. [1] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 15