vijand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vij·and
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘persoon die een ander haat’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • Eigenlijk het tegenwoordig deelwoord van een werkwoord dat o.a. verwant is met het Gotische fijan (haten). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vijand vijanden
verkleinwoord (vijandje) (vijandjes)

Zelfstandig naamwoord

vijand m

  1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
    • Als hij zelfverzekerd door de loopgraven beende en zich tot de mannen richtte, kon hij net zo veel enthousiasme als hij wilde in zijn woorden leggen als hij refereerde aan de verpletterende nederlaag van de vijand die met een laatste salvo de genadeslag zou krijgen, maar de mannen gaven hem alleen wat vaag gemopper ten antwoord en stemden voorzichtigheidshalve zwijgend toe door naar hun kistjes te kijken. [3] 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen