verspreiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sprei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verspreiden
verspreidde
verspreid
zwak -d volledig

Werkwoord

verspreiden

  1. overgankelijk in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
    • Deze ziekte wordt door ratten en hun vlooien verspreid. 
  2. wederkerend zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
    • De ziekte verspreidde zich. 
     Hij zegt: 'Aan de randen van het Amazonewoud zijn de meeste branden. Ze zijn aangestoken door mensen. Het is nu de droogste tijd van jaar in het Amazonegebied. Door de droogte verspreiden de branden zich heel snel. En het brandseizoen is pas twee weken bezig.'[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron nieuwsbegrip.nl “Bosbranden in het Amazonegebied” (26-8-2019), CED-groep