verspreidde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·spreid·de

Werkwoord

vervoeging van
verspreiden

verspreidde

  1. enkelvoud verleden tijd van verspreiden
    • Ik verspreidde. 
    • Jij verspreidde. 
    • Hij, zij, het verspreidde.