spreiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprei·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spreiden
spreidde
gespreid
zwak -d volledig

Werkwoord

spreiden

  1. (overgankelijk) wijd uiteendoen
    Hij spreidde zijn benen en zette zich schrap.
Vertalingen