ventileren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ven·ti·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ventileren
ventileerde
geventileerd
zwak -d volledig

Werkwoord

ventileren

  1. (overgankelijk) verse lucht in een ruimte brengen, uitluchten, luchten
    De ramen stonden open om de kamer te ventileren.
  2. uiten, uitdrukken, spuien
    ventileren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie