Naar inhoud springen

luchten

Uit WikiWoordenboek
  • luch·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
luchten
luchtte
gelucht
zwak -t volledig

luchten [2] [3] [4] [5] [6]

  1. aan de frisse lucht blootstellen
    • De gevangenen werden één uur gelucht. 
  2. gevoelens uiten
    • Ze moest op een gegeven moment haar hart luchten. 
  • Iemand niet kunnen luchten of zien
een hekel aan iemand hebben
 Nu kan ik hem niet meer luchten of zien.[7]
  • Zijn hart luchten
iemand over de problemen vertellen die hij bij zich draagt

deluchtenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lucht
     Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge luchten.[8]
     Een folterende hitte in de zomer, een ijzige kou in de winter, grootse nachtelijke luchten het hele jaar door.[9]


100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[10]