vaccin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vac·cin
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘entstof’ voor het eerst aangetroffen in 1805 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vaccin vaccins
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaccin o [3]

  1. (medisch) uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
  • IPA: /vak.sɛ̃/
Woordafbreking
  • vac·cin
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  vaccin     le vaccin     vaccins     les vaccin  

Zelfstandig naamwoord

vaccin m

  1. (medisch) vaccin