aidsvaccin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aids·vac·cin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aidsvaccin aidsvaccins
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aidsvaccin o

  1. (medisch) een middel dat ervoor zou moeten gaan zorgen dat iemand niet ziek wordt na besmetting met het hivvirus
    • Wetenschappers van het AMC in Amsterdam en Cornell University in New York hebben zeventien jaar onderzoek gedaan en publiceren donderdag een artikel in het vakblad Science over hun stap in de zoektocht naar een aidsvaccin.[1] 
    • ANGKOK - Wetenschappers zeggen voor het eerst een aidsvaccin te hebben ontwikkeld dat het risico om de ongeneeslijke ziekte op te lopen, beperkt. In een onderzoek, waaraan meer dan 16.000 mensen in Thailand vrijwillig meewerkten, bleek het vaccin het risico met ruim 31 procent te reduceren.[2] 

Gangbaarheid


Verwijzingen