vaagheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

weergave van vage grenzen
Uitspraak
Woordafbreking
  • vaag·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van vaag met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord vaagheid vaagheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaagheid v [1]

  1. het niet scherp omgrensd zijn
    • De VN-lidstaten werden het vorig jaar eens over zeventien doelstellingen om de wereld in de periode tot 2030 eerlijker en duurzamer te maken. Het CBS-rapport geeft een eerste tussenstand, al tekent het statistiekbureau aan dat de voortgang richting veel van die duurzaamheidsdoelen zich lastig laten meten, laat staan vergelijken met andere landen. „Een zekere vaagheid hou je altijd”, aldus econoom Peter Hein van Mulligen.[2] 
    • Volgens het UMC Utrecht was er te lang sprake van een definitieprobleem over ’wáár het medische incident ophoudt en de geneeskundige calamiteit begint’. ,,Vanwege die bestaande vaagheid is besloten ook de ’twijfelgevallen’ te melden, naast natuurlijk de overduidelijke meldingsplichtige calamiteiten.”[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 04 nov. 2016
  3. de Telegraaf RENÉ STEENHORST 09 mei 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be