duidelijkheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·de·lijk·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duidelijkheid duidelijkheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

duidelijkheid v

  1. het evident en vanzelfsprekend zijn
  2. het goed waarneembaar zijn
     Er is geen bestemming zonder duidelijkheid over de herkomst en geen toekomst zonder een leesbare versie van het verleden.[1]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 19