onduidelijkheid
Uiterlijk
- on·dui·de·lijk·heid
- afgeleid van onduidelijk met het achtervoegsel -heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | onduidelijkheid | onduidelijkheden |
| verkleinwoord | onduidelijkheidje | onduidelijkheidjes |
de onduidelijkheid v
- het onduidelijk zijn
- ▸ "Absoluut nodig", noemde parlementslid Augusta Montaruli van Meloni's partij het voorstel in een interview met persbureau Reuters. "Als iemand hoopt te profiteren van juridische onduidelijkheid, dan kan dat niet met ons." Op een verzoek van de NOS om die uitspraak te specificeren, wilde Montaruli niet ingaan.[1]
- Het woord onduidelijkheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron Heleen D'Haens“Hennepverbod Italië wekt verbazing: 'net zo gevaarlijk als een kerstomaatje'” (13 april 2025), NOS