uitleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitleggen
legde uit
uitgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitleggen

  1. ditransitief iets doen begrijpen
    • De leraar ging de leerstof aan de leerlingen uitleggen. 
    • Albert kon haar wel duizend keer uitleggen dat dat er niets mee te maken had, zijn moeder was niet van het soort dat zomaar van mening veranderde, zij vond altijd weer andere voorbeelden en redenen, en had er een hekel aan ongelijk te hebben; ook in haar brieven kwam ze nog steeds terug op dingen van jaren geleden, het was doodvermoeiend. [1] 
  2. overgankelijk iets groter, langer of ruimer maken
    • Hij zou dat kledingstuk voor ons uitleggen. 
  3. overgankelijk iets leggend uitspreiden
    • Zij ging gisteren de loper uitleggen voor de directeur van het bedrijf. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitleggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitleg

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 16