uitleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitleggen
legde uit
uitgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitleggen

  1. ditransitief iets doen begrijpen
    • De leraar ging de leerstof aan de leerlingen uitleggen. 
  2. overgankelijk iets groter, langer of ruimer maken
    • Hij zou dat kledingstuk voor ons uitleggen. 
  3. overgankelijk iets leggend uitspreiden
    • Zij ging gisteren de loper uitleggen voor de directeur van het bedrijf. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitleggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitleg

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie