uitkopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ko·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkopen
/œytkopə(n)/
kocht uit
/koxt œyt/
uitgekocht
/œytɣə'koxt/
zwak -cht volledig

Werkwoord

uitkopen

  1. overgankelijk door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen
  2. overgankelijk (een winkel)) geheel leegkoopen
  3. overgankelijk (een voorraad) geheel opkoopen
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

uitkopen

  1. wederkerend zich vrijkopen, afkopen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be