opkopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ko·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opkopen
kocht op
opgekocht
zwak -cht volledig

Werkwoord

opkopen

  1. overgankelijk in zijn geheel kopen van een verzameling artikelen
    • Projectontwikkelaars met plannen om langs het strand hotels te bouwen, hebben de grond opgekocht. 
    • De failliete inboedel werd opgekocht door een handelaar. 
  2. overgankelijk kopen, overnemen van een bedrijf
    • Buitenlandse energieleveranciers kopen Nederlandse bedrijven op. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be