uitbotten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bot·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitbotten [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbotten
botte uit
uitgebot
zwak -t volledig
  1. weer beginnen te groeien van bomen en struiken na de winter
    • In een grote bak branden de kaarsjes. Op een standaard ligt de Bijbel, opengeslagen bij Lukas 21: „Hij vertelde hun een gelijkenis. Kijk naar de vijgenboom of naar een andere boom. Zodra u ze ziet uitbotten, weet u vanzelf dat de zomer in aantocht is.” [3] 
    • Natuurliefhebbers bloeien op nu allerlei bloemen en planten gaan uitbotten. [4] 
  2. volwassen worden; tot bloei komen
    • Die strip is een commercieel succes, en daar doet gemor onder traditionele liefhebbers niet aan af. Striphistoricus Hans Matla zei toentertijd dat Willy Vandersteen zich in zijn graf zou omdraaien. Voor iedereen die nu treurt om de veranderingen is er één troost: zelfs nu Wiske uitbot tot jonge vrouw zwaait ze nog met haar lappenpop Schanulleke. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. uitbotten op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Reformatorisch Dagblad Jan van ’t Hul 11-12-2013 Broederenkerk Deventer gerestaureerd
  4. Reformatorisch Dagblad 23-12-2015 Minder griep, meer muggen door warm weer
  5. NRC Ron Rijghard 17 mei 2017 Suske en Wiske en de Dwingende Doelgroep
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be