uitlopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlopen
liep uit
uitgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitlopen

  1. ergatief lopend een ruimte verlaten
    • Hij is woedend de kamer uitgelopen. 
  2. ergatief nieuwe takjes en blaadjes krijgen
    • De lente is vroeg en bomen lopen al uit. 
  3. ergatief langer duren dan verwacht
    • De vergadering liep uit. 
  4. ergatief ~ op: resulteren in iets, als gevolg hebben
    • Dat is uitgelopen op een grote nederlaag. 
  5. iets wandelend volbrengen
     Ik heb ver genoeg gelopen om te weten dat ik het kan uitlopen en ga het over een aantal jaar met de kinderen afmaken.[1]
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Faliekant uitlopen (mislukken).
  • Uitlopen op iemand.
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be