uitlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlopen
liep uit
uitgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitlopen

  1. ergatief lopend een ruimte verlaten
    • Hij is woedend de kamer uitgelopen. 
  2. ergatief nieuwe takjes en blaadjes krijgen
    • De lente is vroeg en bomen lopen al uit. 
  3. ergatief langer duren dan verwacht
    • De vergadering liep uit. 
  4. ergatief ~ op: resulteren in iets, als gevolg hebben
    • Dat is uitgelopen op een grote nederlaag. 
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Faliekant uitlopen (mislukken).
  • Uitlopen op iemand.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.