uitbuiter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bui·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitbuiter uitbuiters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitbuiter m [1]

  1. iemand die misbruik maakt van iemand
    • Tot slot voert Nederland het debat over de wijze waarop het zijn grote zeehelden kan herdenken. De lont werd in het kruitvat gestoken door het kunst­instituut Witte de With, genoemd naar een 17de-eeuwse admiraal die berucht is om zijn wreedheid en betrokkenheid bij de slavenhandel. Dat instituut wil nu zijn naam veranderen, omdat het niet langer met deze ‘koloniale uitbuiter’ wil worden geassocieerd. In de nasleep ervan vragen sommigen zich af wat we moeten doen met de beelden van helden als Piet Hein en Michiel de Ruyter.[2] 
    • Advocaten van de komiek noemden Hill 'een leugenaar en uitbuiter die op zoek is naar geld'. Zij vond die uitlating kwetsend en klaagde Cosby aan voor laster. Een rechter oordeelde donderdag echter dat de uitspraak slechts een mening was en ziet daarom geen grond voor een lasterzaak.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 30 SEPTEMBER 2017
  3. Lasterzaak tegen Bill Cosby van tafel — De Telegraaf, 21 januari 2016