uitbuiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitbuiten uitbuitend
uitbuiting uitgebuit
Woordafbreking
  • uit·bui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbuiten


buitte uit


uitgebuit


zwak -t volledig

Werkwoord

uitbuiten

  1. (overgankelijk) op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand
    Het is goed mogelijk dat de in het nauw gebrachte Libische leider de gevangenname van de Nederlandse militairen zal proberen uit te buiten.