uitbuiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitbuiten uitbuitend
uitbuiting uitgebuit


Woordafbreking
  • uit·bui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbuiten
buitte uit
uitgebuit
zwak -t volledig

Werkwoord

uitbuiten

  1. overgankelijk op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand
    • Het is goed mogelijk dat de in het nauw gebrachte Libische leider de gevangenname van de Nederlandse militairen zal proberen uit te buiten. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.