swing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • swing

Werkwoord

vervoeging van
swingen

swing

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van swingen
    • Ik swing. 
  2. gebiedende wijs van swingen
    • Swing! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van swingen
    • Swing je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
swing swings

Zelfstandig naamwoord

swing

  1. schommel
vervoeging
onbepaalde wijs to  swing 
he/she/it  swings 
verleden tijd  swang, swung 
voltooid
deelwoord
 swung 
onvoltooid
deelwoord
 swinging 
gebiedende wijs  swing 

Werkwoord

swing

  1. schommelen